Daklozenkrant: Augis

augisStilte

Hij staat er altijd met de daklozenkrant, bij de ingang van het kleine Almeerse winkelcentrum. Een magere, bescheiden man van een jaar of vijftig, die weinig zegt, maar altijd vriendelijk lacht.
‘Ken je die vent met dat lange grijze haar, die zwerver?’ zegt mijn ex op een dag, ruim twee jaar geleden, als hij thuiskomt. Uren is hij weggeweest terwijl hij snel een pakje sigaretten ging halen. Ik had nog even gedacht dat hij helemaal niet meer zou terugkomen. We lagen al in scheiding, desondanks was ik ongerust.
‘Interessante vent,’ zegt mijn ex peinzend. ‘Een Rus. Is hier al jaren. Ik wil weleens een dag met hem op stap, zien wat een dakloze meemaakt.’

Daar komt het uiteindelijk niet van. Maar als mijn ex al lang en breed aan zijn nieuwe leven is begonnen en ik aan het mijne, verovert de dakloze vreemdeling het hart van een van mijn beste vriendinnen en krijg ik bijna dagelijks met hem te maken.
Straalverliefd zijn ze, en niemand die het snapt. Het begint met geheime afspraakjes in het park waarin zij zich hult in een lange pruik en een van haar mooie excentrieke jurken, hetgeen haar onherkenbaar maakt.
Mijn zoon: ‘Mam, een van mijn vrienden heeft die zwerver zien zoenen met een vrouw met lang blond haar.’
‘Nee schat, dat is A.
‘Oh waarom heeft ze dan een pruik op?’
‘Geen idee, vindt ze gewoon spannend.’
Tenslotte verlaat ze haar man en gaat met haar nieuwe vlam samenwonen.

Van de straat naar een knusse flat, dat is wennen. Augis – die eigenlijk Eugenijus heet – is trouwens geen hele, maar een halve Rus. Hij komt uit Litouwen en verblijft al twaalf jaar in Nederland. Bewust statenloos. Een man die, zo blijkt al snel als ik hem beter leer kennen, het liefst op een zeepkist in het Vondelpark zou staan om zijn verontwaardigde mening te verkondigen over wat hem niet bevalt. Veelgebruikte uitspraak: Balkenende is een boef. Geen idee waarom, maar het is zo en er valt niets tegenin te brengen. Augis kan eindeloos orakelen in een taal waar ik weinig van versta: een mengeling van Nederlands, Duits, Litouws en Russisch. Mijn vriendin kijkt in aanbidding naar hem op en begrijpt zonder problemen wat hij allemaal vertelt.
‘Waar hééft hij het over,’ zeg ik dikwijls wanhopig tegen haar als ik er weer geen chocola van kan maken. Ik wil het zo graag snappen. Zijn vreemde verhalen ontketenen de meest bizarre beelden in mijn hoofd. Complete films zijn het. Ik zie hem kilometers slenteren in de ijzige kou over de steppen, bedekt met dikke lagen ijs, vergezeld van vrienden, flessen wodka consumerend, en een dode vis die onderweg rauw met smaak wordt genuttigd. Wodka, nee, spiritus!
‘Jeez, daar ga je dood aan,’ zeg ik, en half naar mijn vriendin gedraaid: ‘Klopt dit eigenlijk wel?’ (Ik weet tot op heden niet of ik het verhaal wel echt goed begrepen heb.)
Hij neemt een paar halen van zijn sigaret en haalt zijn schouders op, met zijn typische lachje. De hoekige, donkere wenkbrauwen in dat gezicht met die Slavische trekken doen hem op Rasputin lijken, vind ik.

Het verhaal van zijn komst naar Nederland is al even wonderlijk. Hij had ooit een goedlopende praktijk als jurist, kwam door toeval in Amsterdam terecht nadat hij een paar maanden met zijn vriendin in Duitsland had rondgetoerd. Lekke band, busje weggesleept. ‘Nou ja, dan blijven we maar.’
De ene maand gleed over in de andere. Ze verdienden geld met het verhuren van kamers uit een kraakpand en dat bracht zoveel op dat je wel gek zou wezen om terug te gaan naar de armoede van Litouwen, dat de grootste moeite had om onder de jarenlange tirannie van Rusland vandaan te kruipen. En hij als halve Rus werd daar zo gediscrimineerd dat het per definitie geen pretje was om terug te gaan.

Nee, daklozen zijn heus niet allemaal aan lager wal geraakte idioten en alcoholisten. Soms is het gewoon domme pech, onvermogen of verlies van hoop. Augis is afgestudeerd in rechten en studeerde tevens een aantal jaren antropologie, speelt vloeiend piano en spreekt minstens 4 talen. In Litouwen werkte hij jarenlang nauw samen met de politie. Zijn moeder is kinderarts. Het mensje is inmiddels achterin de tachtig en vertelt haar zoon nog steeds hoe hij moet leven en waarvoor hij moet oppassen, hetgeen vrijwel iedere keer tot heftige telefonische woordenwisselingen leidt met veel geschreeuw en gebrul aan weerskanten. Iedere maand stuurt ze hem geld.
‘Maar waarom gaat hij niet terug naar Litouwen en waarom is hij statenloos? En hoe is hij van plan om aan geld te komen, want eeuwig met die daklozenkrant zeulen is toch ook geen fijn toekomstperspectief,’ vind ik als we het er weer over hebben.
‘We proberen andere dingen,’ zegt mijn vriendin even hoopvol als geduldig en verliefd.

En dus gaat hij kortstondig werken als tuinman, geeft hier en daar pianoles en doet wat vertaalwerk. Al met al is het moeilijk om werk te vinden. Zonder papieren kom je nu eenmaal niet ver. Nee, geen daklozenkrant meer, want het is natuurlijk geen onverdeeld genoegen om iedere keer vernederd te worden. En als je met die krant staat heb je te maken met overijverige winkelmanagers die om de haverklap de politie bellen en bedreigingen uiten. Of met de losse handjes van iemand die gewoon een pestbui heeft en zin heeft om er op los te rammen. Kan zomaar gebeuren. Daarbij is Augis zelf weleens zo onverstandig om ineens provocerende taal uit te slaan. Om een reactie uit te lokken. In discussie te gaan. Want discussiëren, dat vindt hij fijn. Even de boel opschudden, de mensen aan het denken zetten.
Dat loopt niet altijd goed af.

Als ik langskom volgt steevast hetzelfde ritueel: hij omhelst me onbeholpen alsof hij me jaren niet heeft gezien, klemt mijn hand stevig in de zijne en geeft me vier dikke zoenen.
‘Voorzichtig,’ waarschuw ik dan, naar achteren deinzend, want hij dendert met gemak over je heen. En al ben ik twee keer dikker dan hij, hij is behoorlijk sterk en ik ben snel van de blauwe plekken. ‘Zo blij dat je er bent,’ zegt hij dan en gaat gelijk koffie voor me zetten. En als ik weer wegga: ‘Fijn dat je langskwam.’
Wat ik met die innigheid aanmoet weet ik niet goed. Zo kalm en bescheiden als hij in het winkelcentrum was, zo druk en aanwezig is hij hier in de kleine flat. Hij geeft zich volledig over aan zijn emoties, kan je plots doen opschrikken als hij een geweldige klap op tafel geeft, (meestal om zijn woorden kracht bij de te zetten), of is in zichzelf gekeerd als hij een teder Russisch liedje draait en een jointje rolt. Een man van uitersten, ruw en zacht. Het is onmogelijk om je te concentreren op iets anders met hem in de buurt. In gedachten vergelijk ik hem met een mager vuilnisbakkie met lang, slordig, grijs haar, dunne slingerpoten en bruine trouwe ogen, even enthousiast als onvoorzichtig, die na eindeloos geren en gestoei uitgeput neerzakt op de bank en uren nodig heeft om bij te slapen. Zijn jongensachtigheid kan je van ergernis tegen het plafond doen stuiteren, maar is ergens ook hartveroverend.

Op een ochtend in december, vertelt hij mijn vriendin: ‘Je moet niet raar opkijken als ik ineens niet meer thuis kom hoor.’
Hij laat instructies achter voor als het zal gebeuren. Dan is het niet omdat hij plots ervandoor is gegaan, maar omdat hij waarschijnlijk teruggestuurd zal worden naar Litouwen.
Diezelfde middag gaat hij de fietsen zoeken die uit het trappenhuis zijn verdwenen en wanneer hij ze niet kan vinden loopt hij onbekommerd het politiebureau binnen om aangifte te doen. Hij valt meteen in de prijzen.
Enkele dagen later wordt hij naar het uitzetcentrum getransporteerd. Het is 15 december. Mijn vriendin mag hem nog twee keer zien. Als hij wegens aanhoudende buikklachten naar het ziekenhuis moet voor een endoscopie, wordt hij als een misdadiger aan handen en voeten geboeid vervoerd. Nou ja, hij heeft weliswaar niets misdaan, nee, maar de wet is de wet. Ja, jammer dan dat hij pijn heeft, niets mee te maken, regels zijn regels. Het hele complex laat zich overigens gemakkelijk vergelijken met een concentratiekamp, vindt mijn vriendin. Het is uitgerust met minstens twee Helga’s die er een sardonisch genoegen in scheppen om het de aanwezigen zo moeilijk mogelijk te maken. Laarzen uit, want er zou eens wat in kunnen zitten, dus ga maar op je blote voeten naar binnen.
De advocaat van Augis zet alles op alles om hem in Nederland te houden, maar de IND heeft haast. De vlucht is al geboekt: 6 januari.
‘Ik denk dat ik hem nooit meer zie,’ zegt mijn vriendin verdrietig, om de paniek daarna dapper van zich af te schudden en plannen te maken voor de toekomst wanneer hij er toch weer is.

In Litouwen komen ze er na een verhoor van ruim vier uur eindelijk achter dat de IND fouten heeft gemaakt waardoor de uitzetting onterecht lijkt te zijn. Eigenlijk willen ze hem met de volgende vlucht al retour sturen en wordt hij, oh hilariteit, als ongewenst vreemdeling beschouwd.
‘Nou vooruit,’ zegt de politie daar tegen hem: ‘voor we je terugsturen mag je nog even naar je moeder. Als je je maar binnen drie dagen komt melden.’
Het arme mens zit alleen in haar grote koude huis, zonder warmte en licht, nauwelijks stromend water, alles om haar heen kapot, omringd door de tientallen dozen met spullen uit Nederland die Augis in die twaalf jaar heeft verzameld en gestuurd.
De advocaat komt ten slotte met vreugdevol nieuws: die fouten geven Augis recht op een verblijfsvergunning. Hoera, komt het toch nog goed. Eind goed, al goed. We kunnen opgelucht adem halen en hem snel weer in onze armen sluiten.

Het is 8 januari, avond. Telefoon uit Litouwen. De moeder. Haar zoon is naar het politiebureau gegaan en niet thuisgekomen. Ze is ongerust.
‘Die zit misschien in het vliegtuig en staat straks voor de deur,’ zegt mijn vriendin tegen mij.
De volgende dag volgt het verbijsterende nieuws: Augis is gevonden op straat in Kaunas. Een plek die hij heel goed kende, waar hij is geboren en opgegroeid. Nietsvermoedend liep hij zijn dood tegemoet toen hij wat geld ging wisselen, vlakbij het huis van zijn moeder.
Een verbrijzelde schedel wijst op het gewelddadige karakter van de moord. Een messteek in zijn hart maakte een einde aan zijn leven.
Even verderop wordt een klein, afgescheurd stukje van zijn portemonnee gevonden. Een stille getuige van wat er heeft plaatsgevonden. Daaruit wordt de conclusie getrokken dat het naar alle waarschijnlijkheid om een beroving ging.
Hoe wrang, hoe schokkend. Op de foto die vlak erna werd genomen zijn z’n ogen nog open. De verwonderde uitdrukking op zijn gezicht geeft de indruk alsof hij niet kon geloven wat hem overkwam. Jarenlang leefde hij op straat en hield zich staande onder de meest bizarre omstandigheden. Was hij er tot dan toe altijd met wat kleerscheuren en relatief lichte verwondingen vanaf gekomen, als er al iets gebeurde, ditmaal was het menens geweest.
Waarom, is de vraag die wij thuis ons sinds die tijd dagelijks afvragen. En wie? Heeft hij een voorbijganger geprovoceerd en is hij daarbij de verkeerde tegengekomen? Of was het iemand uit zijn verleden die hem een lesje wilde leren? Wat heeft hij gezien en gevoeld? Hoe waren die laatste seconden?
De politie staat nog steeds voor een raadsel. In de tussentijd zijn er twee mannen opgepakt en ondervraagd, maar weer vrijgelaten bij gebrek aan bewijs.
Het besef begint langzaam door te dringen dat ik hem nooit meer zal zien. Augis verdween op dezelfde manier uit mijn leven als hij er binnenkwam. Plotseling, heftig en met veel rumoer.
Die stilte is oorverdovend.

Claudia van der Sluis, Almere, Januari 2009