Heks en psychologe Irina


Heks en psychologe Irina: Via schaduwkanten helder zien.

De Roemeense Irina (28) woont nu ruim elf jaar in Nederland. Ze geeft cursussen in hekserij en vrouwenspiritualiteit in haar eigen centrum Zâna en heeft daarnaast een baan als docente psychologie. Hekserij en psychologie zijn voor haar onverbrekelijk met elkaar verbonden. Via haar cursussen en therapieën leert ze anderen met hun schaduwkanten om te gaan. Een bijzonder streven.

Al van kleins af aan ervaart Irina een bijzondere verbondenheid met de Maan en de natuur. Heks word je niet, heks bén je, legt ze uit. Je wordt zo geboren en je kunt daarin groeien.
Ik wil weten wat zij bedoelt met hekserij: ‘Is het een religie of meer een levensbeschouwing?’
‘Er zijn zoveel definities van hekserij,’ antwoordt ze. ‘Ik voel me steeds minder verbonden met het woord heks, dat oorspronkelijk een scheldwoord is voor een (wijze) vrouw. In Roemenië wordt dat woord maar zelden gebruikt, wel in sprookjes, maar dan gaat het vrijwel altijd om oude, slechte vrouwen. Mijn manier van hekserij beleven is eerder dat ik veel nadruk leg op het contact met de natuur en het eren van vrouwenkunsten zoals kruidenkunde, handopleggingen, volksgeneeskunde en de toekomst voorspellen. Mijn beide grootmoeders, tantes en moeder hadden en hebben allemaal hun eigen vrouwenkundes ontwikkeld. De een deed aan spinnen en weven, de ander kan koffie dik kijken en een derde maakte contact met geesten. Als klein kind leerde ik om naar de tekens in de natuur te kijken en om te gaan met de aanwezigheid van geesten. Om een voorbeeld te geven: als jij je bekeken voelt door geesten dan moet je zout in de vensterbank leggen. Bij ons groeide veel basilicum, daar maakten we bosjes van en die hingen we voor het raam. Langs de deurpost hingen knoflookstrengen en uien met de bedoeling om het boze oog af te weren. Zulke gebruiken zijn daar heel normaal. Hier noemen ze dat waarschijnlijk bijgeloof.’ Ze lacht.

Politiek Vluchteling

Irina is geboren in Boekarest. Als kind verhuist ze veel omdat haar vader als ingenieur op verschillende plaatsen wordt gedetacheerd. Soms wonen ze op het platteland, soms in de stad en soms bij familie in Transsylvanie: een ruig deel van Roemenië met heuvels, rivieren, bergen, oeroude bossen en veel wilde dieren.
‘Mijn tante heeft er een huisje op een heuvel, middenin het bos,’ vertelt Irina. ‘Ik was er graag, het is een mooi woest land, heel sprookjesachtig met een haast Middeleeuwse sfeer. En sprookjes, daar hield ik als klein meisje al van. Toen zocht ik al naar een betere werkelijkheid. Roemenië was een hard land, we hadden armoede en waren vaak onderweg. Dus ik vluchtte weg in dagdromen en boeken.’
Het sprookje dat haar het meest is bijgebleven is de ganzenhoedster. Irina: ‘Het meisje in dit verhaal heeft twee levens. Buiten het feit dat ze verbannen was en een lelijke ganzenhoedster was geworden, kon ze in die andere wereld, bij het water in het licht van de Volle Maan, haar schone zelf zijn. Dat is, denk ik, ook altijd mijn verlangen geweest.’
Haar eigen leven vertoont opmerkelijke overeenkomsten met dat van de ganzenhoedster/prinses uit haar lievelingssprookje, zo blijkt uit haar verhaal. Ook zij moest haar vaderland verlaten en ook zij heeft voor haar gevoel lang haar schone zelf moeten verbergen.
In 1991 vluchtten Irina, haar ouders, broer en zusje om politieke redenen uit Roemenië. Van de woeste, grillige schoonheid van het Roemeense land, naar het platte, rechtlijnige Nederland. Irina: ‘In Roemenië was alles bedekt en indirect, je moest je aan veel regels houden en altijd aan anderen denken. Wat een verschil met hier waar jongeren alles mochten. Die vrijheid, zichzelf durven zijn, vond ik geweldig, evenals hun directheid. Ik was er jaloers op.’
Ze werd streng opgevoed. ‘Niks mocht,’zegt ze. ‘Niet uitgaan, niet lang opblijven. Als tiener ben je op zoek naar je identiteit. Je wil vrijheid, keiharde muziek, verliefd zijn en ergens bijhoren. Maar ik moest daarmee wachten omdat we van de ene opvangplek naar de andere gingen. Er was geen tijd om vrienden te maken of aardig gevonden te worden. Ik begreep ook veel dingen niet omdat ik de taal niet kende. Dat frustreerde me. Ik voelde me letterlijk ontworteld. Ik was boos op mijn ouders omdat ze de beslissing hadden genomen naar een ander land te gaan. Dus vluchtte ik in mijn eigen droomwereld en in de boeken, met als voordeel dat ik heel goed werd in Nederlands.’
Vastberaden er iets van te maken gaat ze op zoek naar een eigen identiteit. Ze wil vooruit, alles zo snel mogelijk leren, niet meer stilstaan bij de cultuur en de tradities van Roemenië. Al snel heeft ze de taal onder de knie. Als ze haar VWO-diploma heeft behaald besluit ze psychologie te gaan studeren.

Duisternis

‘Ik ben me pas bewust met hekserij en het uitvoeren van rituelen gaan bezig houden nadat ik op mezelf ben gaan wonen tijdens mijn studie,’ vertelt ze. ‘Mijn eerste indruk die ik van hekserij kreeg was via het boek The Satanic Witch van Anton Lavey, die ook, zoals ik later las, de oprichter was van de satanskerk in Amerika. Ik las het in een adem uit. Het leerde mij voornamelijk dat er ook een duistere kant in ons is die een kracht kan zijn. Het boek gaat ervan uit dat je lichaam het belangrijkste instrument op aarde is om spiritualiteit te bereiken en dat alles aan je lichaam eigenlijk een middel is om mensen en de werkelijkheid te manipuleren zodat jij succes gaat boeken in alles wat je doet. Als je een vrouw bent heb je nog een sprong voor op mannen, want door je menstruatie en seksualiteit heb je veel kracht en macht.’
‘Schrok jij niet van de term satanistische heks? Het is wel iets anders dan bijvoorbeeld wicca,’ merk ik op.
‘Dat wist ik toen nog niet. Ik kende het verschil niet. In de Metal- en Gothickringen sprak men vaak over duisternis, de macht van de vrouw en demonen. Ik vond dat juist fascinerend. Het was mysterieus en dus een uitdaging om te leren kennen. De sprookjes die ik las gingen ook altijd over iets wat voor veel mensen eng was. De muziek maakte dat ik me kon uiten. Ik kon er lekker op schreeuwen en dansen tot ik er bij neerviel. Het was iets waarmee ik me helemaal duister kon voelen.’
‘Wat is dat, je duister voelen? Is dat alleen maar het mysterieuze of is dat ook het kwade, wat we niet begrijpen, iets vernietigends? Is het wat veel mensen verstaan onder Satan?’
‘Nee, ik zie het anders. Omdat ik veel had meegemaakt en zoveel woede in me had moest ik mijn emoties uiten, anders ging het ten koste van mijzelf. Ik was destijds woedend omdat ik niet mezelf kon zijn. Ik moest integreren in Nederland en net zoals iedereen zijn terwijl ik dat niet was. Je wordt in een kooitje gezet waar je niet uit komt. Het eerste jaar dat ik op mezelf woonde was ik erg depressief. Ik had een eetstoornis, geen vrienden, het ging slecht met me. Maar door de muziek en mijn soortgenoten die ik in de ellende vond, werd ik ineens sterk. Ik zag de goede kanten van de ellende. Het bracht me dichter bij mezelf en gaf me helderheid. Ik begon te begrijpen waaróm ik zo woedend was. Veel mensen verdelen alles in goed en kwaad, dat heeft het Christendom door de scheiding van God en Duivel er ooit van gemaakt. Maar ik zie het anders, ik zie die krachten als polariteiten die samenwerken en niet als dualiteiten. Het ene kan niet zonder het andere.’
Het boek van Lavey bracht haar dan weliswaar met een vorm van hekserij in aanraking waar wicca’s en andere moderne heksen zeer beslist niet mee geassocieerd wensen te worden, ook Irina heeft er verder niets mee. Het was ook niet zo dat zij door het boek aan satanisme begon te doen of in zo’n wereld terecht kwam. Integendeel. Ze begon omhoog te klauteren uit haar depressie. ‘Ik weet nu dat duisternis mijn vriend is,’ zegt ze. ‘Maar ik vind het ook lekker als buiten de zon schijnt. Dus begon ik dingen helderder te zien.’

Wegen

Ze ontdekt dat er meerdere manieren zijn van hekserij. Bovendien blijken bepaalde aspecten ervan veel raakvlakken te hebben met wat ze leerde in haar jeugd waardoor ze het gevoel krijgt ze thuis komt. Irina leest The witches’s way van Steven en Janet Farrar en boeken van Vivianne Crowly, Marion Zimmer Bradly, Phyllis Currot en de Lankester’s.
Op zoek naar medeheksen komt ze vervolgens op internet terecht, waar heksen via emaillijsten en websites elkaar ontmoeten en met elkaar filosoferen.
Ontgoochelend vond ze het uiteindelijk. ‘Dat heksen zo menselijk konden zijn, dat ze ruzieden, roddelden en veroordelend waren! En dat ze je even snel buitensluiten als in elke andere scene. Het had invloed op mijn binnenwereld. Net toen ik dacht die personen gevonden te hebben waarmee ik aansluiting kon vinden, het waren ook heksen tenslotte, veroordeelden ze mij om mijn overtuigingen en wezen ze me af. Als ik het had over de kracht van de duistere emoties, over je woede en angsten en dat je die voor je kon laten werken, kreeg ik licht, liefde en kracht toegewezen. Heel aardig, maar ze begrepen totaal niet wat ik bedoelde.’
Ze leert een man kennen die zich hogepriester noemt en krijgt een relatie met hem. Nieuwsgierig als ze is wil ze graag een kijkje nemen bij zijn coven. Ze legt uit: ‘In wicca wordt vaak gewerkt in groepen, die covens worden genoemd. Er ligt veel lading op de inwijdingen. Als ik op internet met mijn mening naar voren kwam werd die sowieso niet serieus genomen omdat ik niet was ingewijd. Ik wilde dus weleens weten hoe dat nu precies ging in een coven en wat ik ervan kon leren. Maar alles ging volgens het boekje, ik begreep niets van het systeem dat ze hanteerden. Die verbondenheid met de natuur ligt dicht bij je gevoel, het komt vanuit je hart. In die coven werd die verbondenheid voornamelijk intellectueel benaderd. Het belang van het hebben van graden werd benadrukt en daar kon ik niks mee. Ik hield het er niet lang uit en de relatie werd verbroken.’

Licht en duisternis gaan in Irina’s leven hand in hand. Het komt ook terug in haar werk als psychologe. ‘Door mijn eigen ervaringen heb ik ondervonden dat de krachten van de mens niet in de lichte, maar juist in de donkere kanten zitten. Dat zijn je emoties, alles waar we ons voor schamen, waar we bang voor zijn, ons schuldig over voelen, afwijzing, pijn, verdriet en ellende. Je moet er doorheen. Ik leer mensen hoe ze dat kunnen doen. Evenwicht kan niet bereikt worden als je het licht altijd als bovenste beste blijft beschouwen.’
De aandacht voor de schaduwkant is de reden die haar heeft doen besluiten dat ze, ondanks haar leeftijd, anderen iets kan leren.
‘Veel mensen die ik ken zijn bang voor de duisternis, bang voor geesten, bang dat iemand hun kwaad aandoet. Het is paradoxaal, want aan de ene kant willen ze het weten en willen ze ermee leren werken, maar aan de andere kant vinden ze het doodeng. Toch hebben ze die extra gevoeligheid waardoor ze energiën kunnen aanvoelen. Middels gesprekken probeer ik mensen zelfvertrouwen te geven dat zij die gave niets voor niets hebben. Dat zij juist leren het te gebruiken om er zelf wijzer va te worden en er krachtiger in te worden. In Roemenie is die gevoeligheid voor energieën en dingen die niet zichtbaar zijn heel normaal, maar Nederlanders zijn over het algemeen veel nuchterder. De kans dat iemand angst heeft voor geesten is veel groter omdat het onbekend is.’
‘Hoe heb jij zelf met die angst om leren gaan?’
‘Ik herinner me nog haarscherp het moment dat ik een natuurwezen heb gezien, bij een druivenrank. Sommigen zouden het een elf noemen of een aardegeest. Ik was in de tuin en zag vlakbij de grond een schaduw bewegen, het bewoog snel, zag er knokig uit en was ruw van vorm. Het was druiven aan het plukken. Eerst dacht ik dat het een poes was, dus ik liep ernaartoe, maar het verdween. Ik was erg geschrokken en kreeg er nachtmerries van. Mijn oma, die ik het vertelde, vertelde me dat zulke wezens heel gewoon waren. Zij plukten druiven en zorgden ervoor dat de oogst nog beter werd. Ik heb ook letterlijk door contact met geesten geleerd er niet bang voor te zijn.’
Via haar andere oma, die ene trancemedium was, was ze getuige van het geesten oproepen. Ze vertekt daarover: ‘Elf jaar was ik toen. Ik lag te slapen, maar werd wakker omdat ik heel hard gebonk hoorde. Iets viel als een deken op me en ik raakte verstikt. Ik begon te schreeuwen en rende naar de woonkamer waar een heel gezelschap in een kring zat. Mijn oma deed heel raar. Ze zat te trillen en vertelde met een vreemde stem allerlei dingen aan de mensen om haar heen. Ik kroop bij mijn moeder op schoot, die me geruststelde en me later naar bed bracht. Om beter in slaap te komen kreeg ik een beker melk met hong. Ze vertelde me toen dat mijn oma uit haar lichaam kon treden en dat er dan iemand anders in haar lichaam kwam om contact met de levenden te maken. Wanneer een overledene niet goed afscheid had kunnen nemen, bijvoorbeeld doordat het een plotselinge dood was gestorven, kon dat een ingrijpende traumatische gebeurtenis zijn voor de achtergeblevenen. Hierdoor konden de achtergeblevenen met een geruster hart verder te leven. De de doden zelf konden dan ook rust vinden en het leven achter zich laten. Dit is dus eveneens een vorm van duisternis, het onbekende, waar ik niet bang voor ben omdat ik ermee heb om leren gaan. Ik vind het belangrijk om dat door te geven.’

Helder zien

In Zâna, centrum van Wijze Vrouwen Kunsten en Krachten, geeft ze workshops. Een van de lessen van Wijze Vrouw worden is streven naar harmonie met het rijk van Moeder, zegt ze. Een streven, verduidelijkt ze meteen, want Irina heeft niet de pretentie dat zij dat zomaar even voor elkaar krijgt.
‘Ik lever mijn bijdrage op mijn manier,’ legt ze uit. ‘Ik ben vegetariër. Door zoveel mogelijk biologische producten te gebruiken en geen overbodige spullen te kopen. Vaak als ik ergens zomaar een plastic tasje bij krijg, weiger ik dat. Als ik de natuur in ga neem ik een zak mee en verzamel de rotzooi. Tweemaal per jaar houd ik samen met anderen een natuurschoonmaakdag waarbij we zwerfvuil verzamelen. Het is een zandkorrel in de woestijn, maar ik probeer het. Het is mijn zandkorrel.’
Een televisie heeft ze niet en kranten leest ze niet. Ik merk op dat ik dat opmerkelijk vind, want wie bewust leeft zou toch op zijn minst moeten weten wat er in de wereld speelt. Waarom sluit zij zich daarvoor af?
Ze schudt haar hoofd. ‘Niet helemaal. Ik ben lid van Greenpeace. Zeker 95% van mijn rituelen gaan naar het herstellen van een beschadigde plek op Moeder Aarde. Ik probeer er iets aan te doen door extra energie te sturen of een ritueel te doen. De natuur vindt altijd haar weg. Dat doet ze ook zonder mij. Maar in mijn rituelen probeer ik te stimuleren dat de natuur een nieuwe manier vindt om te overleven. Ik heb niet de pretentie om dat verschil te maken, maar ik geef mijn energie liever aan een doel waar ik achter sta. Een voorbeeld? Hier voor mijn flat waren 18 lindebomen die werden weggehaald om plaats te maken voor een kantoorgebouw. Samen met enkele buren zijn we met een petitie langs de deuren gegaan om handtekeningen op te halen. Het viel tegen, we haalden er ca 50 op. Die stuurden we naar de gemeente en ik stemde mijn rituelen erop af. Of het toeval is of niet, de bomen werden door een speciaal bedrijf zorgvuldig uit de grond gehaald en zijn weer ergens anders geplaatst waar ze verder groeien. Voor mij is dat een teken dat mijn energie toch ergens terecht gekomen is.’

Via Zâna organiseert ze behalve workshops onder anderen kruidenwandelingen en cursussen Maanmagie. ‘Contact maken met de natuur kan niet op een flatje driehoog achter waar je wat kaarsen brandt,’ zegt ze. ‘Ik moet je eerlijk zeggen dat ik het ook op die manier geprobeerd heb en dat werkte niet. Ik las boekjes en probeerde de mooi beschreven rituelen uit, maar het werkte niet. Die boeken brachten me verder weg van eenheid en eenvoud dan ik ooit had geleerd. Ik was de lessen van mijn grootmoeders bijna vergeten, nu weet ik beter. Als je contact wilt met de natuur dan moet je naar buiten. De natuur heeft alle antwoorden. Tijdens Volle Maan en de Jaarfeesten ga ik samen met een groep, en soms ook wel met één persoon, naar buiten. Dan kijken we naar de tekens die opvallen, zoals dieren, bomen of bloemen en de Maan zelf.’
‘Hoe leer je mensen om te gaan met hun schaduwkant?’
‘Eens per maand doen we aan schaduwwerk tijdens bijeenkomsten met Donkere Maan, waarbij we de diepte in gaan met betrekking tot dingen die we moeilijk vinden, dingen waar we bang voor zijn en negatieve emoties. Die koppel ik aan inwijdingsrites. In ieder’s leven zijn er overgangen. Dat is een proces dat van conceptie tot de dood doorgaat, en waartussen belangrijke markeringen zijn van geboorte, puberteit en menopauze. De schaduwkant van de mens groeit als zo’n overgang niet bewust doorgemaakt of afgesloten is. Als er bijvoorbeeld pijn zit op seksualiteit, dan weet ik dat daar de stroom blokkeert. Ik doe veel inwijdingsrituelen met vrouwen. Met een inwijding bedoel ik dat een zo’n overgangsfase goed, bewust doorleefd wordt. Het gaat dus absoluut niet om graden, maar meer om het markeren van een periode waardoor je verder kunt groeien. Dat kan in een groep, maar ik geef ook wel individuele begeleiding. Het is net zoiets als een langdurige therapie, waarbij iedere overgangsfase bekeken wordt en waarbij ik dan kijk naar het punt waarom iemand niet kan stromen.’
‘Waarom is die schaduwkant zo belangrijk bij vrouwen?’
‘Omdat ze vaak geleerd wordt dat ze in een voedende, verzorgende en opvangende rol zitten, waardoor ze dingen tegen hun zin moeten doen en hun grenzen overschrijden. Daarmee voeden ze hun schaduwkant. Ze kroppen alle irritaties op in plaats van ze te uiten. De kunst is juist om de “bitcherigheid” zo naar buiten te laten treden, dat je in je kracht komt. Durf maar boos te zijn, durf die grenzen te stellen.’
‘Je komt heel zelfverzekerd over. Ben je ooit weleens onzeker?’
Geamuseerd antwoordt ze: ‘Omgaan met die onzekerheid, weer een vorm van die schaduwkant, kan juist kracht geven. Ik probeer het met andere vrouwen te hebben over alles wat mij angst inboezemt en hoe ik daarmee omga. Ik ben heus niet altijd zo zeker. Vrij snel nadat ik als psycholoog ging werken raakte ik overspannen. Ik kon de ellende van anderen niet aan en kwam onverwerkte stukken van mezelf tegen die ik niet wilde zien. Blijkbaar had ik het nodig om dagenlang niets anders te kunnen dan op de bank te zitten in de duisternis en voor me uit te staren. En als ik de kracht bij elkaar kon sprokkelen om voor mijn altaartje te gaan huilen of schreeuwen, of in mijn tuin te wroeten, dan voelde ik me beter. De schaduwkanten onder ogen zien en ermee om leren gaan is een manier om je leven helder te bezien. Daar wil ik anderen bewust van maken.’

Gepubliceerd in Koörddanser mei 2003