Oude doos 5: Politie

Gedachtekracht

Gewoon gedachtekracht gebruiken, dan moet het lukken. Al snel is een ding duidelijk: bij de politie in Vlaanderen hebben ze geen hart. Gedachtekracht helpt daar niet tegen.
De auto blijkt weggesleept naar een dorp vijf kilometer verderop. Kosten: tweehonderdvijftig gulden. We moeten een taxi nemen naar dat dorp of gaan lopen.
Als de verpletterende waarheid tot me doordringt barst ik op het politiebureau in tranen uit. ‘Alles valt in duigen,’ jammer ik. Van heel zelfverzekerd verander ik naar een hulpeloos snikkend hoopje ellende.
‘Ik moet een lezing geven,’ jammer ik. ‘Er staan 150 mensen op me te wachten. Ik kom te laat.’ Diep in mijn hart verwacht ik dat ze mij met gillende politiesirenes naar het gebouw brengen waar de Beurs is. Waar alle belangrijke schrijvers aanwezig zijn, behalve ik.
Ze  lopen heen en weer achter de balie en zijn druk met papieren en met iemand anders helpen. We moeten het maar uitzoeken.
Als ik nu eens duidelijk maak wie ik ben op niet mis te verstane wijze? Als ik ze nu eens heel lang aan ga staren, onderwijl spreuken mompelend?
Maar de kans is dan ook groot dat ik in de cel beland, wegens bedreiging van een ambtenaar in functie. Of ze lachen me keihard uit.
Gisteren was ik nog op de radio. En nu bijna in de politiecel.
Jur ijsbeert woedend heen en weer en wenst de mannen in het Vlaams veel toe, maar niet teveel, anders is het goed mis en dat willen we niet.
De lezing begint om 14.00 uur.

14.20 uur

Ik bel de pr-dame van het bedrijf dat me heeft ingehuurd om die lezing te geven. Of ze het kan uitstellen, vraag ik met bibberende stem. Ik hoor haar ontzetting, al is ze vrij kalm.
Helaas, er zijn meer schrijvers. Die zaal is er alleen nu en verder niet meer.
Ik haat mezelf als ik huil. Zo’n teken van zwakte!

Het is 5 voor 2 als we aankomen in dat dorpje.
Het is 2.05 als we daarvandaan gaan.
Het is 2.20 als ik aankom bij de beurs.
Ik heb me niet kunnen omkleden. Mijn haar zit weliswaar geweldig, maar verder moet je niet kijken: grote, oude trui, oude broek, onopgemaakt. Mijn moeder zou van ontzetting niets uit kunnen brengen als ze me nu zou zien. ‘Clau, god Clau, dit kán toch niet?’ Nee, vind ik ook mam. Pure overmacht. Ik geef me er maar aan over.
Jur krijgt een toegangsbewijs in zijn handen gedrukt, maar geen parkeerkaart.

14.30 uur

Ik moet nu echt naar boven. De lift laat te lang op zich wachten, de trap dan maar. Heel fout als je geen conditie hebt. Het zijn er vier. Vier hele lange, hoge lange trappen. Halfdood arriveer ik boven, hijgend en dubbelgeklapt, maar geen seconde heb ik om bij te komen.
En toch… terwijl ik door die gang rende en de trappen opklom bedacht ik me in een flits dat ik helemaal geen tijd had om me zenuwachtig te maken. Dat ik een excuus had als het fout ging. Ik heb niks om me aan vast te houden, geen papieren, geen gezellig tafeltje, alleen mezelf. Dat moet genoeg zijn. Wat kan me nog gebeuren?
Om 14.30 loop ik de zaal binnen.
De mensen staan tot buiten te wachten…