Pliesie

Het is acht uur ’s morgens. Twee politieagentjes op zoek naar een onschuldige burger komen me soepel crossend, slingerend en superfit over de spoorbaan tegemoet. Een jaar of 22 zijn ze, schat ik, stekeltjeshaar, rode blossen, geen helm, strak in het sportieve politiepak.  En ja hoor, stoppen maar. Alleen het fluitje ontbreekt.
‘Ik moet naar de dokter,’ roep ik wanhopig. Ik zie de bui alweer hangen. Net van de politieacademie staan deze twee ventjes je te trappelen om hun eerste slachtoffer van vandaag eens flink schrik aan te jagen. Dondert niet met wat.
Godverdomme, heb ik weer, vloek ik nog binnensmonds.
De grootste pareert mijn scooter handig met zijn fiets en kijkt me fier aan.
‘Ik heb een afspraak,’ zeg ik weer, wat zachter ditmaal. De ergernis giert door mijn lijf.
‘U mag hier niet rijden mevrouw.’ Scheve tandjes, valt me op.
‘Dat mag wel,’ werp ik tegen. ‘Daar staat een bord.’
‘Mijn collega gaat even kijken.’ Dappere glimlach. En, zie ik het goed, gloeit er wat onzekerheid in die blauwe ogen? Misschien ben ik inderdaad zijn eerste.
De ander duikt achter hem weg en scheurt zo rap mogelijk naar een stukje verderop, terwijl hij mij blijft bewaken. Gelukkig is het binnen 1 minuut geregeld. Ik heb gelijk, ik mag hier gewoon rijden.
‘Misschien kun je eens tegen de gemeente aangeven dat ze het wat beter aangeven,’ snib ik.
‘Wij zijn van de pliesie,’ slist mijn bewaker. ‘Daar gaan we niet over. Succes bij uw afspraak en een fijne dag.’
Ik krijg nog een glimlach waar ik spijt in lees dat er geen bekeuring af mag en weg zijn ze weer. Ik kan me zo voorstellen dat ze een wedstrijdje doen met collega’s: wie de meeste bonnen eruit jast. Zo houd je de vaart erin.
Later zie ik ze nog luid lachend van de pret achter elkaar door de stad roetsjen.
Ik vraag me af hoeveel ze er vandaag op de bon hebben geslingerd. En of ze gewonnen hebben.
Ik zal het nooit weten, maar ik moet er toch even om glimlachen.