De muizenman

De muizenbestrijder is geen prater. Hij stelt zich voor met een ferme hand en komt direct to the point: ‘vertel uw verhaal.’ In zijn kleine roodomrande ogen glimmert iets van plezier alsof hij inwendig dikke pret beleeft aan zijn werk, maar dat niet wil weten voor de buitenwereld.
Ik vertel over de muizenkeutels en de twee muizen die ik zag -één in mijn kostbare ghi die ik kon weg flikkeren en een op het aanrecht- probeer het geheel tegen mijn natuur in kort te houden.
Met een onbewogen gezicht leunt onze held tegen het aanrecht. Hij luistert geduldig. Dit soort verhalen heeft hij natuurlijk duizend keer eerder gehoord. Op zijn ronde gezicht tekent zich een stoppelbaard van drie dagen af. Zijn borstelige, lange wenkbrauwen – de haartjes staan kris kras rommelig naar voren – moeten nodig worden bijgesnoeid. Hij is ongeveer vijftig, schat ik.

Muizengaatje, muizengrootte

De man begint rond te lopen, een beetje klosserig, draagt een blauwe werkbroek en een sweater met daaroverheen een jack zonder mouwen, een soort bomberjack. Onderweg opent hij kastjes en deuren.
In de keuken valt hij plotseling als een sluipschutter op zijn buik (wij kijken vanaf veilige afstand toe), haalt de plinten onder het keukenblok weg en schijnt eronder met knipperende lamp. Met militaire precisie inspecteert hij daarna de volgende ruimte, de huiskamer, schijnt hier en schijnt daar.
‘Meterkast.’
Ik ga hem voor.
Daar is de situatie ogenschijnlijk ernstiger. De man blijft er lang kijken en schijnen en denken.
We wisselen ongeruste blikken uit, Ron en ik, beiden bevreesd voor wat gaat komen. Ron was wilde er eerst niet aan, zo’n exterminator. Zijn reactie: “het valt allemaal wel mee, je bent hysterisch, je overdrijft. Het gaat om twee, drie muisjes, tjonge, jonge.” Maar nadat ik nog weiger te koken, kan hij niet anders en nu is hij zelfs opgelucht.
‘Goed,’ zegt de muizenkiller met de zucht waarmee hij iedere zin begint, ‘onder de keukenkast zit een muizengaatje, muizengrootte. Dat moet dicht. Kan ik niet doen, lastige plek. Woningbouw bellen.’

Buikvet

Het volkje woont in de meterkast en viert af en toe feest in de keuken.
‘Maar er lagen keutels in de keuken,’ zeg ik en wijs achter de vaatwasser, niet bepaald een plaats waar je elke dag kijkt.
De man knijpt met zijn ogen, hard en lang. We wachten geduldig tot er iets komt.
‘Buikvet.’
‘Buikvet?’
‘Kijk… mijn uv-lamp vond buikvet. Niet in de keuken, in de méterkast.’
Hij gaat nu doosjes met rattengif neerzetten, waar ze lekker van gaan snoepen die muizen. Dan is het zo gepiept.
‘Zijn het er veel?’
Een half jaar, schat hij. EEN HALF JAAR. En we hebben er vrijwel niets van gemerkt.
De Mus musculus, lees ik later op wikipedia, plant zich razendsnel voort als de omstandigheden gunstig zijn. Godsamme, dat zijn ze. Onze poes is zestien en ligt het liefst te knorren op haar kruk. Poes van niks, noem ik haar, ze wil alleen maar eten en slapen. Soms komt ze met een vogel thuis, maar muizen vangen ho maar. De omstandigheden zijn dus optimaal ideaal voor het volkje, zo zonder natuurlijke vijanden. Het vrouwtje kan vijf tot tien keer per jaar jongen werpen met drie tot twaalf jongen per worp. De draagtijd is 19 tot 21 dagen. De jongen zijn al na zes tot acht weken geslachtsrijp.
Wat een nachtmerrie.

Muizenlijkjes

Ik zit nog met 1 miljoen vragen. De muizenman knijpt bij elke vraag zijn ogen weer even hard dicht, rimpelt zijn neus en perst en perst en perst tot hij een antwoord heeft geformuleerd. Wij kijken en wachten tot hij ons verlicht en komen te weten dat de muizen na hun dood tot mummies transformeren.
Ook dat nog, een muizenkerkhof, een piramide van muizenlijkjes. Beneden ons. Mán, wat afgrijselijk.

Tandjes, tongetje

Onze killer loopt naar de auto en komt terug met een flinke spuit in de aanslag, type uzi, en een stapel platgevouwen doosjes.
‘Ik ga de de kast flink vol douwen. Zodat ze zich erdoorheen moeten vréten, dat ze geen kant op kunnen. Tandjes en tongetje erin. Onomkeerbaar.’ Hij doet het voor.
We staren hem stom aan.
‘Onomkeerbaar?’ zegt Ron tenslotte.
‘Dat ze…’ de muizenman vouwt de doosjes bedaard en koelbloedig verder in elkaar, ‘…dat ze dood gaan. Niet dat ze nog in een kooitje kunnen, zeg maar. Ze gaan zéker dood.’ Hij kijkt even op van een doosje. In zijn roodomrande ogen ligt de blik van een vastbesloten, zelfverzekerde seriemoordenaar die precies weet wat nodig is om trefzeker zijn doel te bereiken.
‘Oh zo,’ zeg ik.

Rattengif

De doosjes zijn gevouwen. Nu wordt de spuit ter hand genomen, klikkerdeklakt aan het hendel. Niks. Hij blijft proberen. Klik klik, klak klak. Leeg. Weer naar de auto.
Terug spuit de man alle doosjes vol met zijn uzi. Dat gaat moeizaam, de pasta is koud. Hij gebruikt geen handschoenen.
Zonder enige bescherming vinden de voorbereidingen op mijn aanrecht plaats. Ik zeg dat ik hoop dat er geen rattengif in mijn eten komt.
Scheve glimlach, alsof het bijna jammer is: ‘rattengif heeft ooit iemand gered van de dood.’
‘Hoe dan?’
Een hele, hele lange pauze. De muizenman is duidelijk geen multitasker. Hij knijpt weer heel erg hard met die ogen, tegelijk met de spuit. Dan komt er iets uit over iemand die vast zat in een kelder en een bloedverdunner nodig had. Rattengif. Vet lachje. In het doosje in zijn hand verschijnt nog een bergje zuurstokroze pasta.

Muizengif

De doosjes stapelt hij in de meterkast, hij tikt ze zachtjes met zijn schoen onder het aanrecht en drukt de plinten ervoor.
Voor de zekerheid vraagt hij of de honden de plinten opzij kunnen schuiven.
Nee, die kans zit er niet in.
Onze held is trouwens niet bang voor honden. ‘Ik heb heel lekkere snoepjes in de auto.’ Weer dat lachje erbij.
Schapenvet met muizengif, zegt-ie. Gegarandeerd effect.
Grapje.
Over tien dagen is-ie weer terug.