Glazenwasser

Werd vandaag verrast door mijn glazenwasser. Hij spreekt geen woord Nederlands, kijkt mij met zijn grote bruine ogen wat verbijsterd aan als ik probeer met handen en voeten duidelijk te maken dat mijn ramen boven zijn en niet beneden.
Ik hang uit het raam. Hij staat beneden en kijkt omhoog, het hoofd in de nek.
Alleen boven dus, wijs ik nog maar eens.
Het is voor iedereen die nooit boven is geweest moeilijk te snappen dat het benedenhuis precies zo lang is als de twee bovenverdiepingen naast elkaar en dat de benedenverdieping niet van mij is.
‘Hoort bij de buurvrouw,’ wijs ik wanhopig met mijn wijsvinger. ‘Alles van beneden is van haar. Niks boven. Is er niet.’
Hij gebaart dat het hek achter open moet.
Helaas… de buurvrouw is overdag niet thuis.
Ik maak een gebaar met de sleutel en iets dat moet lijken op ‘kan er niet bij.’
Of hij Engels spreekt, informeer ik.
‘Italiano.’
Oooooh, denk ik. Moet lukken, heb tenslotte acht maanden In Sicilië gewoond. Ik brabbel iets wat in de verte op Italiaans moet lijken.

Non lo so

De verwarring op zijn gezicht zegt alles. Ben mij er bovendien pijnlijk van bewust dat ik geen make-up op heb en dat mijn haar vreselijk omhoog staat. Cazzo.
Wat is het woord voor buurvrouw? En hek? Er komt niets zinnigs uit bij mij.
‘Non lo so,’ zeg ik dan maar.
De glazenwasser leegt zijn emmer in het strookje aarde naast de deur. Dat strookje is alles wat ik aan tuin bezit: een lapje grond van 30 cm bij 1 meter.
De man klimt vervolgens behendig naar boven, duwt de emmer in mijn hand en wacht tot ik terug ben met water.
Als hij weer weg is sjees ik naar de slaapkamer, op zoek naar mijn onmisbare Ipad. In het voorbijgaan in de badkamer toch maar even een kam door mijn haar halen.
Terug beneden is de man foetsie.
Half struikelend over mijn hoge hakken, die ik heb aangetrokken om iets van waardigheid terug te vinden, beland ik bijna in het plantsoen tussen ons in. Hij staat alweer op zijn trap en is druk met de bovenramen aldaar, maar als hij mij ziet staat hij in no-time naast me. Verwachtingsvol kijkt hij me aan.
Met de ipad voor mijn neus en bril omhoog, omdat ik beter zie als ik het ding (i-pad) bijna tegen mijn neus duw, zeg ik op plechtige toon: ‘Il prossimo non è lì.’
Dat hij het even weet.
Hij knikt. ‘Si,’ zegt-ie, op een manier alsof hij dat al lang door had. ‘Volgende… eh….maand. Ok?’